Stap 3: Kiezen onderzoeksmethoden

Deze stap bevat informatie over de verschillende onderzoeksmethoden die kunnen worden toegepast en geeft toelichting op het selecteren van geschikte onderzoeksmethode(n).

Stap 3

Inleiding

In stap 2 heeft de onderzoeker zich voorbereid door de doelstelling van het onderzoek te expliciteren en door de specifieke context voor het uitvoeren van het onderzoek in te kaart te brengen. Op grond van deze informatie kan in stap 3 worden gekozen voor één of meerdere onderzoeksmethoden. Hierna worden in stap 3A allereerst de verschillende onderzoeksmethoden toegelicht die in deze handreiking worden gehanteerd. Vervolgens wordt in stap 3B toelichting gegeven op het selecteren van de onderzoeksmethode(n) op grond van de in beeld gebrachte lokale context.

Stap 3A

Kennisnemen van de verschillende onderzoeksmethoden

In deze handreiking worden acht onderzoeksmethoden toegelicht die kunnen worden ingezet om de risicopercepties te onderzoeken. De onderzoeksmethoden verschillen van elkaar als het gaat om de mate waarin inwoners en burgers al dan niet actief worden betrokken in het onderzoek naar de risicopercepties. We onderscheiden drie categorieën:

  • Bestuderen (afzijdige betrokkenheid burgers)

    Hier worden onderzoekmethoden ingezet waarbij de burger of inwoner afzijdig blijft. Door bijvoorbeeld media te bestuderen of data-onderzoek te doen, kan informatie over risicoperceptie en aanvaarding van risico’s worden verzameld, zonder dat burgers actief worden betrokken bij het onderzoek.

    Document- en media-onderzoek

    Het raadplegen van schriftelijke bronnen (of social media) kan al een beeld of eerste indicatie geven van de aanwezige risicopercepties onder inwoners en burgers. Te denken valt bijvoorbeeld aan het systematisch analyseren van berichtgeving in de media (bijvoorbeeld in lokale kranten), van berichtgeving van actiecomités, van vragen die zijn gesteld aan de gemeente of in de gemeenteraad of Provinciale Staten, van eerdere communicatie over een eventueel project, et cetera. Bij grote hoeveelheden berichten kan bijvoorbeeld een zogenaamde sentimentanalyse worden uitgevoerd (op grond van steekwoorden die in deze berichten staan en die een positief of negatief beeld kunnen laten zien).

    Data-onderzoek (administratieve data, statistische data, big data)

    Bij dataonderzoek maakt de onderzoeker gebruik van al bestaande data, die mogelijk nog niet goed is ontsloten, nog niet eerder is geanalyseerd voor dit doel, nog niet is bewerkt, et cetera. Bij statistische gegevens kan het bijvoorbeeld gaan om openbare statistische bestanden en monitors van bijvoorbeeld planbureaus (zoals PBL), statistische bureaus (zoals CBS), gemeenten (periodieke burgerenquêtes), universiteiten, kennisinstellingen en/of marktpartijen. Bij big data kan het bijvoorbeeld gaan om een analyse van zoektermen die een bepaalde regio worden gebruikt. Bij administratieve data valt bijvoorbeeld te denken aan data van energieloketten of (andere) overheidsloketten waar burgers zich wenden met vragen (die gebaseerd kunnen zijn op hun zorgen). Door te analyseren welke vragen met welke frequentie worden gesteld, kan een beeld worden gevormd van de risicopercepties.

    Observatie

    Bij observatie observeert de onderzoeker ten einde een beeld te krijgen van de percepties die er zijn bij groepen burgers. Voor de hand liggende manieren om dat te doen zijn het bezoeken van gemeentelijke voorlichtingsavonden of wijkbijeenkomsten, of het bezoeken van bijeenkomsten die door actiecomités worden georganiseerd en daar observeren welke percepties ‘langs komen’ en welke percepties dominant zijn bij welke groepen.

  • Bevragen (actieve betrokkenheid burgers)

    Hier worden onderzoeksmethoden ingezet waarbij de burger wordt betrokken door hem of haar te bevragen over percepties over risico’s en de aanvaarding daarvan. Bijvoorbeeld in interviews of via een enquête.

    Enquête

    Een enquête (of vragenlijst of survey) is een systematische uitvraag van vragen met als doel om specifieke informatie op te halen bij een groep van personen. Vaak wordt deze vragenlijst voorgelegd aan een steekproef van respondenten die representatief dienen te zijn aan een grotere populatie in
    kwestie. Enquêtes hebben als kenmerk dat zij (dezelfde) vragen systematisch en gestructureerd in hetzelfde format voorleggen aan iedere respondent. Een enquête bevat doorgaans gesloten vragen en open vragen. Soms bevatten enquêtes een routering: afhankelijk van de antwoorden die respondenten geven, worden ze naar bepaalde vragen of onderwerpen gerouteerd. Respondenten kunnen op verschillende manier worden benaderd en bevraagd: online (mail, app, site, et cetera), schriftelijk, telefonisch of face-to-face zijn de meest bekende manieren.

    Interviews

    In een interview worden de vragen mondeling gesteld aan een respondent. Het mondelinge vraaggesprek kent verschillende varianten: locatie-gebonden of telefonische gesprekken, individuele of groepsinterviews en gestructureerde of open gesprekken. Doorgaans worden vragen gesteld aan de hand van een gespreksleidraad of topiclijst. Een belangrijke reden voor het gebruik van deze methode is dat het verdiepende inzichten kan opleveren over percepties van de geïnterviewde.

  • Betrekken (interactieve betrokkenheid burgers)

    Hierbij worden onderzoeksmethoden ingezet waarbij de burger op een interactieve wijze wordt betrokken. Er is interactie tussen de onderzoekers en de deelnemers van het onderzoek, bijvoorbeeld een gesprek of discussie over risico’s die worden gepercipieerd ten aanzien van een technologie.

    Focusgroepen

    De focusgroep is een vorm van groepsgesprek waarbij een ‘facilitator’ of ‘moderator’ een groep deelnemers (bijvoorbeeld 5 à 15 personen) stimuleert om met elkaar van gedachten te wisselen, in dit geval over de risico’s die worden gepercipieerd. In een focusgroep staat de (inhoudelijke) interactie tussen deelnemers centraal. Dat is een belangrijk verschil met een groepsinterview, waar het beantwoorden van vragen door meerdere mensen tegelijk aan de orde is. Soortgelijke methoden zijn rondetafelgesprekken en paneldiscussies.

    Citizen science

    Citizen science wordt gedefinieerd als wetenschapsbeoefening door vrijwilligers die niet als professioneel onderzoeker verbonden zijn aan een onderzoeksorganisatie, maar wel samenwerken met, of onder de supervisie staan, van professionele onderzoekers. Bekendere voorbeelden hiervan zijn burgers, die met hulp van wetenschappers, hinderaspecten meten, zoals trillingen, geluidsbelasting en geur. Een voorbeeld van citizen science in de context van risicopercepties kan zijn dat burgers zelf voor een bepaalde periode monitoren welke veiligheids- en/of gezondheidsrisico’s ze percipiëren. Overigens dient te worden opgemerkt dat citizen science soms ook als ‘oplossing’ wordt ingezet. Als er bijvoorbeeld zorgen zijn over trillingen, dan kan het opzetten van een citizen science-project waarin burgers zelf trillingen kunnen meten en vaststellen ertoe leiden dat die zorgen afnemen (omdat het risico in beeld wordt gebracht en er dan ook naar kan worden gehandeld).

    Burgerpanel (deliberatief onderzoek)

    Een burgerpanel is doorgaans een representatieve selectie van burgers op grond van een aantal kenmerken. Leden van een burgerpanel zijn zorgvuldig geselecteerd in de zin dat gestuurd is op representativiteit. De achterliggende aanname is dat de percepties van de leden van het burgerpanel een goed beeld geven van de percepties in de populatie die zij representeren. Vanuit die aanname is een burgerpanels een relevante gesprekspartner voor overheden. Met burgerpanels kunnen gesprekken of bijeenkomsten worden gehouden, ten einde in beeld te brengen welke risicopercepties in welke mate aanwezig zijn.

Stap 3B

Selecteren van onderzoeksmethoden

In deze stap selecteert de onderzoeker de onderzoeksmethode die geschikt zijn, gegeven de in beeld gebrachte lokale context en de doelstelling van het risicoperceptie-onderzoek. Een aantal opmerkingen vooraf:

Het selecteren van een methode is niet altijd een simpele optelsom van uitkomsten. 

Het selecteren van een methode is niet altijd een simpele optelsom van uitkomsten. 

Soms zijn er meerdere wegen naar Rome, en gaat het vooral om hoe men zich voortbeweegt op die weg. Dat neemt niet weg dat sommige onderzoeksmethoden beter passen in bepaalde contexten dan andere onderzoeksmethoden. In deze stap worden daarvoor handvatten aangereikt. Dit wordt gedaan door aan de hand van de doelstelling van het onderzoek en de verschillende dimensies van de lokale context, te beschrijven welke methoden en welke inzet van methoden voor de hand liggen.

Onderzoek bestaat over het algemeen uit een combinatie van verschillende onderzoeksmethoden.

Onderzoek bestaat over het algemeen uit een combinatie van verschillende onderzoeksmethoden.

(Bijvoorbeeld een documentstudie ter voorbereiding, een inventariserende enquête en vervolgens verdiepende focusgroepen).  De informatie uit deze stap geeft ondersteuning bij het selecteren van geschikte onderzoeksmethoden. Deze informatie kan een onderzoeker gebruiken bij het afwegen van de verschillende mogelijkheden. Het opzetten van een (risicoperceptie)onderzoek blijft echter elke keer opnieuw maatwerk waarbij de onderzoeker uiteindelijk zelf zal moeten bepalen welke methode of combinatie van methoden geschikt is.

1. Kiezen van een methode die past bij de doelstelling en de scope van het onderzoek

In het kader van de doelstelling van het onderzoek is in stap 2A onderscheid gemaakt tussen de functie en de scope van het onderzoek.

Voor een onderzoek met een puur informatieve doelstelling (gericht op informatie vergaren voor de opdrachtgever van het onderzoek en dus niet op een participatief proces) kunnen in de basis alle acht methoden worden toegepast. Wanneer een onderzoek ook (deels) als een participatieve doelstelling heeft, dan zijn met name de onderzoekmethoden uit de categorie ‘betrekken’ geschikt (focusgroepen, citizen science, burgerpanels). Die methoden lenen zich goed voor een participatieproces, omdat zij interactie faciliteren tussen de participant en de onderzoeker. De methoden uit de categorie ‘bevragen’ kunnen ook worden

gebruikt, maar bij voorkeur als onderdeel van een participatieproces waarin ook methoden worden toegepast die interactie faciliteren.

Als wordt gekeken naar de scope van het onderzoek, dan is in de basis elke methode geschikt als het onderzoek speciaal wordt ontworpen voor het onderzoeken van risicopercepties. Een keuze wordt dan gemaakt op grond van de functie van het onderzoek en de specifieke lokale context. Wanneer risicopercepties worden onderzocht binnen een breder onderzoek, dan moet de onderzoeksmethode die wordt gekozen wel aansluiten bij de rest van het onderzoek. Als bijvoorbeeld al bijeenkomsten met burgerpanels of focusgroepen worden gehouden in het kader van dat bredere onderzoek, dan is het logisch daarbij aan te sluiten en het onderdeel risicoperceptie daar als topic toe te voegen.

2. Kiezen van een methode die past bij de specifieke lokale context

In stap 2B is de specifieke lokale context in beeld gebracht aan de hand van vier dimensies. Voor dimensie 1 tot en met 3 (koppeling aan besluitvorming, vertrouwen in de overheid, burden of the past) geldt dat zij iets zeggen over de mate waarin de specifieke lokale context precair is. Wanneer sprake is van directe koppeling aan besluitvorming en/of van weinig vertrouwen in de overheid en/of van een burden of the past, dan doet zich een precaire context voor. Een situatie is al precair wanneer sprake is van één van deze drie situaties, maar een combinatie van situaties is ook mogelijk. Een precaire situatie betekent dat de situatie niet stabiel is en door het onderzoek (onbedoeld) in beweging kan worden gezet. Daarmee wordt bedoeld dat het reacties bij mensen kan oproepen, zoals een hogere risicoperceptie of bijvoorbeeld zelfs actieve tegenstand tegen eventuele implementatie van een technologie.

Een precaire situatie betekent het volgende voor de onderzoeksmethoden:

  • Precaire context en onderzoeksmethoden uit de categorie ‘bestuderen’

    Deze methoden (document-onderzoek, data-onderzoek en observatie) kunnen in principe altijd worden toegepast, zonder dat de onderzoeker het risico loopt om de specifieke lokale context te beïnvloeden. De lokale context, oftewel de bewoners, zijn zich hier immers niet of nauwelijks van bewust.

    Het nadeel van deze methode is dat de informatie die ermee kan worden opgehaald beperkt is. Het onderzoek zal dan doorgaans geen informatie opleveren op grond waarvan representatieve uitspraken kunnen worden gedaan over specifieke risicopercepties van de doelgroep.

    Toch kan het nuttige beelden opleveren over risicopercepties, met name wanneer in een omgeving veel te doen is rondom energietechnologie(n). Denk bijvoorbeeld aan een lokale actiegroep die actief is en beelden verspreidt over veiligheid- en gezondheidsrisico’s of Facebookgroepen waarin burgers beelden met elkaar delen. Ook kan bijvoorbeeld de website van een lokale coöperatie, die zich juist inzet om een bepaalde energietechnologie te realiseren, veel waardevolle informatie bevatten.

  • Precaire context en onderzoeksmethoden uit de categorie ‘bevragen’

    Deze methoden (interviews en enquêtes) zijn geschikt om een representatief beeld op te halen van de risicopercepties van de gekozen doelgroep. Daarbij moeten wel een aantal kanttekeningen worden gemaakt die te allen tijde gelden, maar in het bijzonder relevant zijn in een precaire context:

    Ten eerste: Risicopercepties zijn dynamisch (zoals al toegelicht in stap 1). Dat betekent dat een representatief beeld van vandaag, morgen weer anders kan zijn.

    Ten tweede: De risicopercepties die zijn opgehaald, kunnen door het onderzoek zijn veranderd. Bijvoorbeeld bij een nieuwe technologie kan het zo zijn dat een respondent voorafgaand aan het onderzoek überhaupt geen percepties had over de technologie. Wanneer in een enquête wordt gevraagd naar percepties, dan wordt de respondent automatisch gedwongen om hier actief over na te denken en percepties te ontwikkelen. Indien in het onderzoek ook informatie over de technologie is verschaft, bijvoorbeeld een toelichting op wat de technologie doet en kan, kan dit direct invloed hebben op de risicoperceptie en dus de uiteindelijke respons beïnvloeden (versterkend dan wel verminderend).

    Ten derde: Het onderzoek kan verkeerde informatie ophalen. Wanneer het onderzoek gekoppeld is aan besluitvorming, dan betekent dit voor participanten dat hun antwoorden invloed hebben of kunnen hebben op de besluitvorming. Zeker in een context waarin weinig vertrouwen in de overheid is en/of sprake is van een burden of the past, loopt de onderzoeker het risico om resultaten over de risicoperceptie op te halen die niet stroken met de daadwerkelijke risicoperceptie. Participanten kunnen dan de zorg hebben dat wanneer zij aangeven geen of weinig veiligheid- en/of gezondheidsrisico’s te ervaren, dit wordt geïnterpreteerd als een positief signaal ten aanzien van de energietechnologie en het realiseren van een project in de nabijheid. Dit terwijl de participant misschien wel zorgen heeft over andere risico’s of andere bezwaren heeft tegen de technologie.

    Ten vierde: Het onderzoek kan onbedoelde effecten hebben. Wanneer het onderzoek gekoppeld is aan besluitvorming en/of als er sprake is van weinig vertrouwen in de overheid (of zelfs wantrouwen), dan kan het onrust onder de participanten teweegbrengen die verder gaat dan het onderzoek. Participanten kunnen immers met buren of andere buurtgenoten over het besluitvormingstraject in gesprek raken en zo een keten van onbedoelde effecten in gang zetten (versterkend dan wel verminderend).

  • Precaire context en onderzoeksmethoden uit de categorie ‘betrekken’

    Deze methoden (focusgroepen, citizen science en burgerpanels) zijn geschikt voor onderzoek in een precaire context, en voor onderzoek waarin de doelstelling niet is gericht op het vergaren van informatie, als wel het realiseren van een succesvol besluitvormings- en/of participatieproces.

    Vaak speelt er rondom de besluitvorming en implementatie van een technologie meer dan alleen de veiligheid- en gezondheidsrisico’s die burgers zien. Door onderzoeksmethoden te hanteren waarin burgers worden betrokken, is een onderzoeker beter in staat om de verhalen/ervaringen/gevoelens achter de risicopercepties in beeld te krijgen.

    Bovendien zijn de methoden uit deze categorie bij uitstek geschikt om in een participatieproces in te passen. Het zijn immers methoden waarin de interactie tussen participanten en/of met de onderzoeker centraal staat. Door de onderzoeksmethoden in een participatieproces in te passen, kan worden bijgedragen aan de ervaren procedurele rechtvaardigheid. Met andere woorden: de mate waarin burgers de besluitvorming over de implementatie van een energietechnologie als een eerlijk proces ervaren. Een hogere ervaren procedurele rechtvaardigheid gaat over het algemeen gepaard met een hogere mate van aanvaardbaarheid van risico’s.

3. Kiezen van een methode die past bij de mate van kennis die de doelgroep heeft over de technologie

Tot slot is ook een vierde dimensie in beeld gebracht, namelijk de mate waarin de doelgroep van het onderzoek kennis heeft van de technologie. Wanneer veel kennis aanwezig is over de technologie is in de basis elke methode geschikt. Wanneer de doelgroep weinig tot geen kennis heeft dan geldt het volgende: 

  • Wanneer de doelgroep weinig tot geen kennis heeft over de technologie, dan zal uit de methoden ‘bestuderen’ weinig bruikbare informatie komen over de specifieke risicopercepties die participanten hebben ten aanzien van de betreffende technologie. Als het onderzoek dus als doel heeft om daar specifieke informatie over te vergaren, dan zijn deze methoden minder geschikt. 
  • Wanneer de doelgroep weinig tot geen kennis heeft, komt de onderzoeker voor de keuze te staan om hen wel of geen informatie over de technologie te geven alvorens de risicoperceptie te meten. Dit kan overigens ook worden gecombineerd door eerst naar risicopercepties te vragen, vervolgens informatie te geven, en dan opnieuw risicopercepties te meten en te onderzoeken of iets is veranderd. 
  • Wanneer de doelgroep (waarschijnlijk) niet bekend is met de technologie (bijvoorbeeld omdat deze erg nieuw is) en een onderzoeker besluit om geen informatie te verschaffen, dan is het de vraag of een risicoperceptie-onderzoek zinvol is. Het is in dat geval raadzaam om als onderzoeker stil te staan bij de vraag wat dan precies gemeten wordt en of risicoperceptie-onderzoek wel het type onderzoek is dat moet worden uitgevoerd om de doelstellingen van het onderzoek te bereiken. De kans bestaat bijvoorbeeld dat de doelgroep na het onderzoek alsnog informatie gaat zoeken, waardoor de perceptie kan veranderen en het onderzoeksresultaat daardoor alweer verouderd is geraakt.
  • Wanneer een onderzoeker besluit om de doelgroep informatie te verschaffen over de technologie, dan is het belangrijk dat de informatie eenvoudig, duidelijk en waarheidsgetrouw is. 

Bijsluiter stap 3A+3B

De informatie uit stap 3A en 3B geeft ondersteuning bij het selecteren van geschikte onderzoeksmethoden. Deze informatie kan een onderzoeker gebruiken bij het afwegen van de verschillende mogelijkheden. Over het algemeen zal het onderzoek bestaan uit een combinatie van verschillende onderzoeksmethoden (bijvoorbeeld een documentstudie ter voorbereiding, een inventariserende enquête en vervolgens verdiepende focusgroepen). Het opzetten van een (risicoperceptie)onderzoek blijft elke keer opnieuw maatwerk waarbij de onderzoeker uiteindelijk zelf zal moeten bepalen welke methode of combinatie van methoden geschikt is. 

Stappenplan handreiking